Œuvre —
Werk op papier







'Julian Beck' — 1999
Potlood op papier
65 x 50 cm



'Encounter' — 1998
Potlood en gouache op papier
31 x 23,5 cm



'Verloren landschap' — 1996
Potlood en houtskool op papier
65 x 50 cm







—  Bernard Dewulf


Tijdens
de tekening




Hoe te tonen wat amper te tonen is? Hoeveel tonen en tinten zijn daartoe nodig? En welke. Hoe saamhorig en hoe tegensprekelijk moeten die zijn? Wanneer is het genoeg? Wanneer spreekt het schilderij zo volkomen als haalbaar is? Hoe te stoppen voor er ineens een toon te veel staat — waardoor het moeilijk toonbare dat net leek te gloren plotseling weer weg is? Wanneer is het werk volledig?
Al die vragen komen en gaan in het werk van Karel Dierickx. Het lijken wel gesprekken, deze tekeningen en schilderijen. Zoals we zeggen dat een gesprek gevoerd wordt, zo ook wordt een penseel gevoerd. Twee vormen van voeren, voertalen, die hier onderling verbonden zijn. Het gesprek is bezig, het is niet voorbij, het staat ook niet te gebeuren, het heeft plaats. Op het doek. ‘While we speak’, zegt het Engels.
In de tekening gebeurt het vaak in slingerbewegingen, met versnellingen en vertragingen. Lijnen verstrengelen zich om iets heen, zoals ook zoveel gesprekken de woorden om iets winden dat niet gezegd wordt. Dan is de kwestie: waaromheen. Alsof de lijnen, de woorden dat weten.
Ook in de schilderijen verbinden versnellingen en vertragingen datgene wat er gezegd wordt. De kleuren, de tonen, de tinten, de vegen, de strepen. Het is vaak een zinsbouw die wil gaan zingen. Soms gebeurt dat, in een lyrische uithaal van geel, wit, groen. Even vaak stokt dat mogelijke zingen in iets gedempte, een verstomming van wat op het punt stond zich te uiten. Dan wil er een muziek beginnen spelen om een leemte. Een vacuüm. Is het een graf? Is het een wonde? En wat wordt er in andere doeken bezongen? Een zege, een overwinning, maar waarop? Misschien op de verf zelf, of op de verstomming, die even onvermijdelijk is als de jaren iets wil iets zeggen hier, maar hoe zeg je dat?
Tekenen en schilderen zijn voor Karel Dierickx vormen van denken, zoals Gerhard Richter het ooit zei: ‘Schilderen heeft niets te maken met denken, omdat in het schilderen het denken het schilderen is’. De schilderijen zijn vaak randje abstract, maar altijd schemert er ‘iets als’ een landschap, een portret, een stilleven in door. Finaal echter zijn ze ongrijpbaar, vooral in hun kleuren, in hun tonaliteit. Dat is kenmerken voor een schemering. Ze veranderen ook naarmate wij toenadering zoeken. Plotseling blijkt in zo’n doek verrassend veel violet te schuilen. En schuilen is, dunkt mij, het juiste woord. Er schuilen in deze werken haast ontelbaar veel kleurtonen, die verschuiven, verglijden, overlappen, zoeken, nu eens sterk aanwezig en dan weer ijl. Ze lijken wel; als kleurtonen, iets van muziektonen te krijgen — als dat zou kunnen.
Net als in de tekeningen wordt hier geoefend met aan- en afwezigheid. Met het zichtbare en het onzichtbare. Dat zijn grote woorden voor schilderijen zonder grote gebaren. Toch draait het daarom, om tal van vragen, overwegingen en twijfels die de schilder meeneemt in zijn bewegingen — bewegingen die hem op zijn beurt meenemen. Evenwichtsoefeningen heet dat. Het zijn de moeilijkste. Ze houden ook niet op.Het integerste evenwicht is het wankele, het doelbewust wankele.
Het vergt net iets langer kijken dan het oog gewend is om de rusteloosheid in dit werk te onderkennen. Het opvallendst is dat in de tekeningen, die voor Dierickx de grond van alles zijn. De tekeningen vertonen veel tegelijk grillige en vloeiende lijnen. Aarzeling en trefzekerheid werken samen. Een hoofd, een landschap komt uit het imbroglio tevoorschijn — of verdwijnt het? Wordt het aanwezig getekend of weggehaald? Net het simultane van deze twee aan elkaar tegengestelde bewegingen maakt deze tekeningen zo onvatbaar. Ze zijn vloeibaar, onaf, alsof de tekening in zichzelf oplost, en toch zijn ze dwingend. Ze willen wel van alles laten zien, maar het zijn de lijnen zelf die zich afvragen wat ze zullen laten zien en vooral hoe ze dat zullen doen. Doelmatig twijfelende lijnen.
Voor Jean Fautrier was schilderen zijn intiemste bezigheid. Tekenen moet dat ook zijn voor Karel Dierickx. De gedachte ligt voor de hand: zijn tekeningen zijn als hersenspinsels. En zenuwbanen. En zielenroerselen. Dat maakt ze kwetsbaar. Regelmatig herinneren ze aan wonden. Alsof al die lijnen samen één glasverband vormen. Elke wonde is een voorteken van het graf, een grijns van de vergankelijkheid. Het is niet iets gapende, het gaat om een vermoeden. Van iets afgrondelijke. Op afstand kunnen deze tekeningen en schilderijen rustig ogen, maar naderend neemt de onrust toe. Ook de lyrische werken zijn daar niet vrij van. Dat heeft met het beweeglijke van dit werk te maken, maar er is meer. Er is onrust van iemand die iets wezenlijks wil zeggen, en dat telkens opnieuw probeert. Op een rustige manier, maar intussen. Zoals men zelf een onbestemde onrust kan voelen, als iets woelende, zo is het vaak in dit werk. Schilderijen en tekeningen als woelwaters. Het is geen opgejaagdheid, geen ongeduld — er spreekt zelfs veel geduld uit dit werk — het is niet altijd beklemmend, het is ook niet angstaanjagend, het is veeleer de ‘eenvoudige’ onrust van de dagen. Van de zoekende. Van een tastende in de tijd. En van een mens die zijn ontroeringen gestalte wil geven. Niet in exaltatie, niet als show, maar als een zoektocht. Het is geen louter mentale, conceptuele zoektocht, hij voltrekt zich in de verf, in het potlood en de inkt. Dat zorgt ook voor een zeker tijdsbesef in de werken. Er vindt zichtbaar iets plaats. Vooral zoekt iets er zijn plaats in een geheel.
Kijkend naar deze schilderijen en tekeningen, bevindt men zich niet alleen na maar ook tijdens de schilderijen en tekeningen. Hoezeer ze uiteraard ook voltrekken zijn, ze blijven iets suggereren van de uitvoering, van het tijdsverloop, van het gebeuren. In die zin zitten ze vol herinneringen. Vertonen ze een geheugen. Ook de omzwervingen, de grilligheden, de raadsels ervan. En geen groter wonde dan het geheugen. Karel Dierickx laat ze zien, zoals de wereld zich laat zien: even herkenbaar als verborgen. En als men ertegen spreekt, kan er iets zingen en kan er iets zwijgen.


(‘Karel Dierickx’ — Ludion)


'Ambrosia' — 1999
Potlood op papier
41,5 x 29,5 cm


'Compositie' — 1995
Gemengde technieken op papier
36 x 27 cm


'Hoofd' — 2006
Potlood en gouache op papier
42 x 29,5 cm



'Betekenis en zinloosheid' — 1998
Potlood en gouache op papier
64 x 48 cm






'Studie van vogelsculptuur' — 2000
Potlood op papier
42 x 29,5 cm

'Landschap' — 2006
Potlood op papier
42 x 29,5 cm

'Tholen' — 2006
Potlood op papier
36 x 27 cm



—  Roland Jooris

Karel Dierickx zwijgt
als hij iets zegt


Grillige organische lijnen, tactiele ophogende of atmosferische vlekken, krijtachtige partijen, harde takkige krassen, dekkende als door de tijd aangetaste kleurzones ...
Kwetsbare plekken in de tastbare tonen van een zich in zichzelf terugtrekkende picturale wereld ...
Ongrijpbaar als met de hand gemompelde beelden: verdwijningen die telkens weer opdoemen, zich niet prijsgeven, zich vershuilen in de inwendigheid van het zichtbare ...
Een opengewekte densiteit die de sporen van het twijfelende, moeizame, rustloze binnenwerk toont ...
Het is alsof het witte onweerachtig licht zich verbergt achter de verfhuid, alsof schaduw in potlood, krijt of houtskool zit, alsof het onuitgesprokene de klaarte in zich draagt.
Zoveel is duidelijk: Karel Dierickx is een intimist. Niet in de betekenis van een zachtzinnige behoeder van aan ruimte en tijd gebonden stemmingen. Zijn intimisme laat een niet te bepalen pijnigende dreiging vermoeden. Het verwendigt zich in het blootleggen van de innerlijke roerselen van een binnensmonds procesmatig tekenen en schilderen.
Hierbij overlappen tekenen en schilderen vaak elkaar.
Het blad papier is minder dwingend dan het witte linnen.
Het geeft de hand de vrijheid om zichzelf te volgen, om te strompelen, te onderzoeken, om hortend en stotend een eigenzinnige werkelijkheid te scheppen.
De werkelijkheid van Karel Dierickx’ beeldtaal verwijst niet naar buiten, ze koestert zich in de diepgeproefde sensualiteit van zijn werkwijze. Het is een suggestieve realiteit.
Figuratie als veronderstelling, niet als voorstelling.
Figuratie als vervaagde aanduiding van wat afwezig is.
Figuratie als abstractie, als ontkenning van zichzelf.
Autonome bevestiging van een naar binnen gekeerde schriftuur.
Karel Dierickx zwijgt als hij iets zegt.

(’Karel Dierickx, een diptiek’ — 141 Revolver 35/4)




'Een jaar uit het leven
van Berwich' — 1997
Potlood en vetkrijt op papier
50 x 65 cm



'Kanazawa' — 1996
Potlood op papier
60 x 42 cm



'Landschap achter het huis' — 2007
Potlood en houtskool op papier
30 x 30 cm





'De droom van Jeroen Bosch' — 2000 
Potlood en houtskool op papier
27 x 56 cm



'Portret van B. met masker' — 1997
Gemengde technieken op papier
37 x 50 cm

Copyright (©) 2019  |  Karel Dierickx
Fotografie  —  Lieven Herreman, Dirk Vermeirre, Jules Vandevelde, Herman Selleslags, Dominique Provost, Sara Martens en uit het archief van Karel en vrienden. Met dank aan Thomas Soete, Guido De Bruyn, Bernard Dewulf, Roland Jooris en Stefan Hertmans
Update november 2019